Jack Kilby en Robert Noyce waren twee engineers die respectievelijk voor Texas Instruments en Fairchild Semiconductor Corporation werkten. Van 1958 tot 1959 werkten beiden aan een antwoord op hetzelfde dilemma: “hoe van weinig veel meer te maken”. Bij het ontwikkelen van complexe electronische machines, zoals de computer, was het noodzaak om het aantal componenten te vermenigvuldigen, om zo technische vooruitgang te boeken. Magnetic core memory bleef gedurende bijna twintig jaren de meest betrouwbare en in verhouding de meest goedkope vorm van geheugen totdat deze vervangen werd door het semiconductor integrated circuit. Het monolotisch (uit één kristal) integrated circuit bevatte de voorheen altijd gescheiden transistoren, resistoren, opslag en bedrading op slechts één chip. Deze chip werd gemaakt van halfgeleider-materiaal. Kilby gebruikte daarvoor germanium terwijl Noyce silicium gebruikte. Toen beiden patent kregen op hun eigen ontwikkelingen besloten ze na verscheidene jaren concurreren hun krachten te bundelen. Fairchild Semiconductor Corporation bracht in 1961 de eerste integrated circuits op de markt. In plaats van individuele transistoren en hun bijbehorende onderdelen werden vanaf toen vooral chips in computers gebruikt.
Het formaat van een IC in die tijd was al een imponerende vooruitgang (met slechts één transistor en enkele centimeters groot), tegenwoordig bevatten de IC’s miljoenen transistoren en zijn eveneens aanzienlijk kleiner. Dit neemt natuurlijk niet weg dat de uitvindingen van deze twee personen een van de belangrijkste was in de geschiedenis van de wetenschap. Tegenwoordig bevat elk electronisch apparaat wel een chip.
Nu gebeurt het meeste rekenwerk in het Random Access Memory (RAM), vanwege de snelheid en hoge bit-densiteit. Magnetische opslag blijft echter nog steeds een belangrijke tweede vorm van geheugen (de harddisk) welke een veel grotere opslagcapaciteit heeft en niet vluchtig (volatile) is.
| terug - de transistor | naar index |