index

Papier als opslagmedium voor geautomatiseerde systemen


 
De Amerikaanse onderzoeker Samuel Finley Breese Morse deed in 1837 een belangrijke uitvinding: hij ontwikkelde de eerste Amerikaanse elektrische telegraaf, die was gebaseerd op simpele patronen van puntjes en streepjes. Deze code -bekend onder de naam Morsecode- werd verzonden over een enkele koperen draad. [u] Het concept van de telegraaf verspreidde zich snel over Amerika en de telegraaf groeide snel uit tot een veelgebruikt communicatiemedium, vooral door de relatieve eenvoud van de Morsecode. Een groot nadeel van de telegraaf werd echter al snel duidelijk: operatoren konden maar een maximum van ongeveer tien woorden per minuut versturen, veel te weinig om te kunnen voldoen aan de behoefte van het grote publiek om berichten naar elkaar te versturen. Dit probleem is een klassiek voorbeeld van een communicatie-bottleneck die we ook bij veel andere communicatiemedia tegenkomen. [u]

In 1857, twintig jaar na de opkomst van de telegraaf, kwam Sir Charles Wheatstone -bekend als uitvinder van de accordeon- met een aanpassing op het concept van de telegraaf. Wheatstone was de eerste die papier in bandvorm gebruikte als medium voor het voorbereiden, opslaan en versturen van gegevens. [u]

Wheatstone's papieren band bestond uit twee rijen gaatjes, die Morse's puntjes en streepjes representeerden. Zo konden uitgaande telegraaf-berichten van tevoren worden opgesteld en op een later tijdstip snel worden verstuurd. Eén jaar later, in 1858, was het mogelijk om 100 woorden per minuut te versturen met de speciaal ontwikkelde Morse paper tape transmitter. [u]

Wheatstone's geperforeerde papierband

Figuur 8 - Wheatstone's geperforeerde papierband, bron: [u]

De ontwikkelingen op het gebied van de eerste generatie computers verliepen bijna analoog aan de ontwikkelingen van de telegraaf die door Wheatstone in gang werden gezet. Ontwerpers van computers realiseerden zich dat informatie kon worden opgeslagen door rijen van gaatjes in papierband te persen. Het gaatjespatroon in een data-rij gaf zo een karakter of numerieke waarde weer. De eerste generatie van papierbanden bestond uit vijf rijen gaatjes, ook wel channels genaamd. Deze vijf channels samen vormden een zogenaamde data row, waarmee dus 25 verschillende karakters konden worden weergegeven. Deze bovengrens van 32 karakters vormde al snel een belemmering in het gebruik van de papierbanden, met als gevolg dat het aantal channels op een band werd vergroot naar zes en later zelfs naar acht. [u]

1 inch computer tape

Figuur 9 - 1 inch IBM computer papierband, bron: [u]

In de bovenstaande illustratie is de bekende IBM 8-kanaals tape afgebeeld, een papierband van 1 inch breed met 0,1 inch ruimte tussen de verschillende gaatjes.

Het uitlezen van de eerste generatie papierbanden gebeurde in eerste instanties met behulp van draden met een veermechanisme waarvan er per kanaal één boven de te lezen papierband geplaatst werd. Wanneer direct onder de veer een gat aanwezig was zorgde de veer voor een elektrische connectie met de onderliggende geleidende plaat. Zo konden gaten in de band worden gedetecteerd, met een snelheid van ongeveer 50 karakters per minuut. Omdat deze techniek relatief langzaam was, werd gezocht naar andere snellere technieken. Zo ontstond een nieuwe generatie papierband lezers waarbij gebruik werd gemaakt van opto-elektronische technieken. Aan één kant van de band werd een lichtbron geplaatst en aan de andere kant bevonden zich optische cellen voor het detecteren van de aan- of afwezigheid van gaten in de band. [u]

In de komende paragraaf zullen we de opkomst van papier als opslagmedium voor rekenmachines en later computers aan het eind van de 19e eeuw nader bekijken.
 

De eerste ponskaart machines

Aan het eind van de negentiende eeuw kampte de Amerikaanse overheid met een groot probleem: sinds 1790 werd ieder decennium een zogenaamde census gehouden van de bevolking om statistische gegevens te verzamelen. Het ging 1790 nog om een bevolkingsgroep van iets minder dan 4 miljoen. Bijna honderd jaar later was de Amerikaanse bevolking echter zo explosief gestegen -tot boven de 50 miljoen- dat het verwerken van de censusgegevens van de census van 1880 maarliefst zeven jaar in beslag nam. Het American Census Bureau voorzag de problemen die zouden optreden bij de volgende census, die van 1890 en besloot in 1889 tot het uitschrijven van een prijs voor het beste geautomatiseerde systeem voor het verwerken van alle statistische gegevens. De competitie leverde drie werkende systemen op, waarvan het winnende systeem de andere twee overtuigend versloeg op het gebied van de verwerkingssnelheid. De maker van deze Hollerith Electric Tabulating System was de jonge Herman Hollerith, die in 1884 al een machine had gebouwd die in staat was de informatie van ponskaarten om te zetten in elektrische pulsen. Deze pulsen activeerden vervolgens mechanische tellers. Hollerith gebruikte voor deze eerste versie de gaatjesmachine die door de spoorwegen werd gebruikt voor het maken van gaatjes in de treinkaartjes. In de jaren daarna verbeterde en verfijnde Hollerith deze machine tot de Hollerith Electric Tabulating System, die in 1887 voor het eerst echt werd getest. Zo werd een eigen ponsmechanisme ontworpen en werd de nauwkeurigheid van de pin die door de gaatjes ging en contact maakte met de kwikken plaat onder de ponskaart verbeterd. [5]

Over het idee om geperforeerde kaarten te gebruiken voor het machinaal verwerken van gegevens schrijft Hollerith zelf:

Op een avond aan Dr B's (Dr. John Shaw Billings) theetafel zei hij tegen mij: 'er zou een machine moeten zijn voor het puur mechanische werk zoals het sorteren van de bevolking en andere statistieken'. [5]
In een iets andere versie van hetzelfde verhaal zou Billings aan Hollerith hebben gezegd:
'Er zou een of andere mechanische manier moeten zijn voor het uitvoeren van dit karwei, iets dat gebaseerd is op het principe van Jaquard's weefmachine waarbij gaatjes in een kaart het weefpatroon bepalen.' [5]

Figuur 10 Jacquard's weefmachine, eerste generatie, bron: [w]


Hoewel Hollerith's systeem in 1889 zeker nog niet perfect was, versloeg het de competitie overtuigend: de Hollerith machine had minder dan de helft van de tijd van de andere twee systemen nodig. De machine zou dan ook nog jaren succesvol blijven: hij werd onder andere gebruikt voor de census van zowel 1890 als 1900 en -met enige verbeteringen- voor het New York Railroad Account systeem en bij vele verzekeringsbedrijven.[5]


Figuur 11 Replica van de Hollerith Census Machine, bron: [v]

In 1896 verliet Hollerith de federale overheid om zijn eigen bedrijf Tabulating Machine Company op te starten in Washington, DC, met als doel zijn uitvinding te verkopen. In 1903 biedt het bedrijf de eerste volledig automatische sorteermachines aan. In 1911 gaat het bedrijf samen met twee andere bedrijven: Computing Scale Co. en International Time Recording Co. en vormen ze samen het nieuwe Computing Tabulating Recording Co. In 1913 stapt Thomas Watson (1874-1956) over naar Computing Tabulating Recording Co. en staat het bedrijf aan de vooravond van een lange succesvolle periode. In 1924 wordt Watson President van het bedrijf en wordt de naam veranderd naar International Business Machines, beter bekend als IBM. [5]

Van telmachine tot computersysteem

Het idee om ponskaarten ook te gebruiken bij het uitvoeren van computerberekeningen in plaats van alleen voor administratieve doeleinden werd op verschillende plaatsen uitgewerkt op verschillende momenten. Rond 1928 koppelde het duitse Deutsche Telephonwerke meerdere punchkaartsystemen van Hollerith aan hun eigen mechanische rekenmachines, om zowel eind- als tussenresultaten op ponskaarten uit te voeren. [1]

De eerste toepassing van Hollerith's ponskaartmachine voor het uitvoeren van grootschalige wetenschappelijke berekeningen werd gerealiseerd door L.J. Comrie, hoofd van de National Almanac Office te Londen. Comrie bedacht een methode om Fourier serie calculaties uit te voeren op verschillende standaard administratieve ponskaart machines. Toen in 1928 de wiskundige E.W. Brown Groot-Brittannië bezocht, werden hem ook deze in werking zijnde ponskaartsystemen getoond. E.W. Brown bracht deze techniek zo over naar de Verenigde Staten, waar hij zijn vriend de wiskundige en astronoom Wallace J. Eckert bijpraatte over de techniek. Met Comrie aan het werk aan de ene kant van de oceaan en Eckert aan de andere duurde het niet lang meer voor de standaard ponskaartsystemen verder werden aangepast voor grootschalige berekeningen. [1]

In 1932 slaagde Comrie erin het bedrijf van Hollerith over te halen om hun machine zo aan te passen dat de inhoud van één register dat voorheen allen kon worden gebruikt bij opteloperaties, ook naar andere registers kon worden overgeplaatst. Deze aanpassing maakte het mogelijk om Babbage's Difference Engine te simuleren. Hoewel men nu dan wel eindelijk beschikte over een grote en krachtige Difference Engine hield de ontwikkeling hierbij niet op: er bleef een behoefte aan het produceren van wetenschappelijke tabellen. Er waren namelijk altijd speciale gevallen van tabellen die niet eenvoudig via de standaard verschil-methoden konden waren te berekenen. Ook vanuit de commerciële wereld was er een vraag naar een machine waarmee vermenigvuldig-berekeningen mee konden worden gedaan, bijvoorbeeld voor het uitrekenen van gas en elektriciteitsrekeningen. In 1935 startte IBM met de bouw van een multiplying punch, de IBM 601 genaamd. [1]

 

De ontwikkeling van de ponskaart

Zoals Hollerith zelf al aangaf, was zijn ponskaartprincipe idee gebaseerd op het weefmechanisme van Jacquard. De fransman Jacquard had al rond 1810 een idee om gaatjes in plank te gebruiken om het weefproces van zijn weefmachine te sturen. In de onderstaande illustratie is een viertal kaarten van Jacquard te zien, die werden gebruikt voor het weven van een klein tapijt. Elke kaart is 9 inch lang en 1,25 inch breed, maar andere weefmachines van Jacquard gebruikten weer andere formaat kaarten.

Jacquard's kaarten

Figuur 12 - Jacquard's kaarten

De ponskaart die werd gebruikt in de Hollerith machine van de census van 1890 bevatte 20 kolommen. Eén hoekje werd diagonal afgesneden om te voorkomen dat de kaart op de kop of gedraaid kon worden ingevoerd. Ook het formaat van de kaart was opmerkelijk: exact gelijk aan de afmeting van dollarbiljetten van 1887. Hollerith koos voor dit formaat omdat hij het opslagmateriaal voor papiergeld van de Treasury Department wilde gebruiken voor zijn kaarten. De onderstaande kaart met 27 kolommen is van de census van 1910 of 1920, de 1900 census gebruikte vergelijkbare kaarten met 24-kolommen en de eerste geautomatiseerde census van 1890 gebruikte dezelfde kaart maar met slechts 20 kolommen. [5]



Figuur 13 - Census ponskaart

Hollerith werkte in de jaren na de census van 1890 aan verbeteringen van zijn ponskaartensysteem en in het begin van de 20e eeuw bestond de ponskaart van Hollerith uit 45 kolommen en ronde gaatjes, waarbij elke kolom een karakter of waarde kon representeren.

de IBM card

Figuur 14 - 45-koloms ponskaart

Dit type ponskaart zette de standaard voor een groot aantal jaren. Pas in 1924-1925 kwam daar verandering in, toen de Remington Rand Corporation een techniek ontwikkelde waarmee de hoeveelheid gegevens op een ponskaart kon worden verdubbeld. Remington Rand Corporation was echter niet in staat om dit voordeel volledig uit te buiten en in de periode 1929-1931 kwam IBM met een antwoord hierop: een ponskaart met rechthoekige gaatjes waarmee het mogelijk werd 80 kolommen van data op één kaart te plaatsen. Hoewel er naast deze 80-koloms kaart van IBM nog wel andere formaten werden ontwikkeld, domineerde de IBM 80-koloms kaart -beter bekend als de 'IBM-card'- de ponskaart-markt vanaf de jaren 50. [5]

de IBM card

Figuur 15 - de 'IBM card'

Hoewel ponskaarten vandaag de dag nog maar sporadisch gebruikt worden, worden we nog dagelijks geconfronteerd met de erfenis van de ponskaart. Zo werden de eerste computerschermen gemaakt om 80 karakters weer te kunnen geven over de breedte van het scherm. De gedachte hierachter was dat een scherm zeker niet minder karakters moest weergegeven dan er op een ponskaart staan en er ook geen voordeel was om meer karakters te kunnen weergeven dan er op een ponskaart kunnen.

terug - verre geschiedenis verder - thermische geheugens